Zuurvenspolder

Ontstaansgeschiedenis

De Zuurvenspolder ligt in het landschapstype strandwallen- en strandvlaktenlandschap, anders gezegd: in de overgang van duinen naar zeekleigebied. In de Zuurvenspolder zijn in de periode 4500-3000 voor Christus zgn. haakwallen ontstaan: dit zijn strandwallen haaks op de kust, ontstaan door het oude zeegat bij Bergen. Op deze strandwallen en oude duinen werden in de 8ste en 9de eeuw voorlopers van dorpen als Bergen en Zanegeest gesticht. Rond de 10de eeuw werd vanaf de strandwallen veen ontgonnen. De ontginning vond plaats in evenwijdige strokenverkaveling langs rechte dijken en waterlopen. Dit verkavelingspatroon is meer naar het noorden toe nog zichtbaar.

Het riviertje Rekere stroomde ongeveer waar nu het Noord-Hollandsch kanaal ligt en stond in verbinding met de Zijpe, een voormalig zeegat ten zuiden van Callantsoog, dat doorliep tot de Westfriese Omringdijk. Door stormen in de 12de eeuw kwam zeewater tot ver in het binnenland, waar het mengde met zoet veenwater. Ook vanuit de Zuiderzee drong water via het IJ diep Noord-Holland in. Beide systemen kwamen in het zuidelijke deel van Bergen-Schoorl bij elkaar. Met kades en dijken beperkten de bewoners van de strand- en haakwallen de invloed van het water. Toen is ook het Zakedijkje (rond 1235) in de huidige Zuurvenspolder aangelegd. Als gevolg van alle kades en dijken kon kwelwater vanuit de duinen moeilijk afstromen, wat voor wateroverlast zorgde. Hiervoor zijn maatregelen getroffen door het graven van waterlopen. Toen de invloed van de zee minder werd is ook het voormalige kweldergebied van de Rekere ontgonnen. Hier is een blokverkaveling zichtbaar tussen de kronkelige vormen van dijken en natuurlijke watergangen. Dit patroon is sinds de 19de eeuw nagenoeg onveranderd gebleven. Bovenstaande informatie haalde ik uit het document Waterberging Over ’t Hek en Zuurvenspolder (N5) van de Provincie Noord-Holland.

Bovenstaande kaart haal ik van internet, van een website die door het Kadaster wordt geleverd en Nederland in kaart brengt vanaf 1815. Erg leuk om daar een kijkje te nemen en in te zoomen op de regio waar je woont. Maar het is ook interessant om deze ‘kaart’ erbij te nemen als je in een ander stuk van Nederland gaat wandelen, je kunt er goed zien hoe een landschap zich de afgelopen twee eeuwen heeft ontwikkeld (of niet). Dit gezegd zijnde…

… terug naar de Zuurvenspolder. De polder heeft (volgens mij sinds kort) de NNN-status en dat betekent dat hij een redelijk hoge mate van bescherming geniet. Hij is aangeduid als waterbergingsgebied en heeft daardoor best potentie om een mooi natuurgebied te worden! Maar ook uit historisch oogpunt is het een interessant poldertje. Hierboven vertelde ik al wat over de geologische geschiedenis. Gisteravond liep ik in mijn eentje door de Zuurvenspolder en toen viel het mij opeens op dat de paden waarover je loopt zanderig zijn: oude strandwalletjes dus! Dat wist ik toen niet – ik dacht dat het zand er was gestort om de dijkjes bewandelbaar te maken (of zo). Mis dus!

Op de Kogendijk (waarvan vroeger het eerste deel Zuurvensdijk heette) lag ooit de spoorbedding van de Bello-lijn, een smalspoor treinlijntje van Alkmaar naar Bergen-aan-Zee. Bij de Sluispoldermolen zie je nog goed de oude spoordijk liggen, en de spoorbaan is ook gemarkeerd in de bestrating. Op kaarten van de eerste helft van de 20ste eeuw zie je dat er door de Zuurvenspolder zelf ook een spoorlijntje liep, een zgn. Decauvillebaan, die vanaf een steenfabriek aan de rand van Bergen naar (een kade aan?) het Noord-Hollandsch Kanaal liep.

Dan een laatste stukje geschiedenis. Ooit stond er een molen in de Zuurvenspolder. Die heette – niet verrassend – de Zuurvensmolen en dateerde uit 1630. Het was een typisch Noord-Hollandse molen: een rietgedekte achtkante bovenkruier. De molen brandde in 1949 af en is nooit herbouwd.

Aan de wandel!

Het loopt al tegen negenen. Het was een rare dag, warm, klam weer, en vanaf een uur of vier mengde een koele zeebries zich in het spel van de weerelementen. Af en toe scheen de zon maar de koperen ploert werd ook geregeld aan het zicht ontnomen door dunne, hoge wolkenvelden. Nu hangt er een zilvergouden licht over de velden. Ik fiets over de Koedijker Vlotbrug, steek de N9 over, fiets over de pas heraangelegde Kogendijk en dan de Oostgrasdijk op. Net voor boerencamping Amarahoeve is een toegang tot de Zuurvenspolder. Een klaphek en een informatiebord markeren de plek. Het bord vertelt over functie als waterberging. Naast de Provincie, de gemeente Bergen het het Hoogheemraadschap is ook Landschap noord-Holland bij het project betrokken. Op hun website vind je nog wat extra informatie.

Ik maak mijn fiets vast aan een dranghek dat er tegen een omheining hangt en loop het graspad op. De grond is uitgedroogd en keihard. Ik verpletter bijna een pad; het beestje zit doodstil midden op het paadje en maakt ook geen aanstalten om uit de weg te gaan… Heeft-ie last van de hitte? Ik vraag het hem (of haar) maar ik krijg geen antwoord.

Helaas verdwijnt de mooie gloed over het landschap al gauw – de zon zakt weg achter een pak dikkere bewolking… Ondanks het late uur kom ik onderweg nog een paar mensen tegen… Bewoners van Bergen met hun hond keurig aangelijnd, en (wellicht) ook campinggasten die nog een #ommerdepommetje willen maken voor ze onder zeil gaan. Gelijk hebben ze! Wat me opvalt vanaf de eerste keer dat ik hier loop, is de rust die er in de polder heerst en de ruimte die je er ervaart. Hoe vaak heb ik niet, volop genietend van die rust en die ruimte, over de Oostgrasdijk en de Baakmeerdijk gefietst, op weg naar mijn schooltje in Schoorl? Maar als je hier zo loopt, is de ervaring intenser. Wellicht dat het tijdstip van de dag het allemaal nog wat indringender maakt…?

Ik maak mijn rondje af. Wat ik een beetje jammer vind, is dat je over asfalt terug naar je fiets loopt… Maar gelukkig is het rustig op de dijkjes, twee auto’s en een paar fietsers. Het loopt al tegen half elf als ik weer thuis kom. Wat mooi dat we zó dicht bij huis zulk mooi stukje natuur hebben waar je ook nog eens over grasdijkjes kunt wandelen!

Geplaatst in Landschappen, Wandelen | Een reactie plaatsen

The sixteen trees of the Somme

We kennen de Sommevallei thans als een deel van Frankrijk dat bezaaid is met oorlogsbegraafplaatsen, met name uit de Eerste Wereldoorlog… Het slagveld lag ten oosten van de stad Amiens en bevond zich ruwweg in de driehoek gevormd door de stadjes Albert, Bapaume en Péronne. De Slag bij de Somme begon op 24 juni 2016 met onafgebroken bombardementen op de Duitse linies. Op 1 juli 1916 werd het sein gegeven voor de aanval door het leger zelf… Tegen het invallen van de winter was slechts een honderdtal vierkante kilometers veroverd ten koste van onnoemelijk vele mensenlevens. Pas op 18 november 1916 staakte de geallieerde legerleiding de aanval. De tol was hoog: het Verenigd Koninkrijk verloor 420.000 manschappen, Frankrijk 200.000 en Duitsland 450.000.

Al deze ellende speelt een belangrijke rol in het boek Svøm med dem som drukner, letterlijk vertaald Zwem met hen die verdrinken. Het boek (uit 2014) werd in het Engels vertaald en kreeg in die taal de titel The sixteen trees of the Somme. Op het kaft van de Nederlandse vertaling (2015) prijkt de titel De vlamberken.

Authuille is een dorp net ten noorden van Albert. Daar had de familie Daireaux een boerderij en een bos. Een bos dat na de WO I werd afgesloten omdat het vol onontplofte granaten lag, inclusief gasgranaten… In dat bos stonden zestien machtige, 400 jaar oude walnootbomen. Het recht om ze om te hakken was – tegen een aanzienlijk bedrag – verworven door een houthandelaar uit Edinburgh, Duncan Winterfinch, die ook een huis (Quercus Hall) bezat op Unst, een van de wat kleinere Shetland Isles. Zijn kleindochter Gwendolyn Winterfinch alias Gwen Leask, studeert in Edinburgh maar verblijft in de vakanties vaak in een klein stenen huisje in de buurt van Quercus Hall.

In het Noorse Gudbrundsdalen ligt het dorpje Saksum. Daar staat de boerderij van de familie Hirifjell. Edvard Hirifjell woont er bij zijn grootvader Sverre. Grootmoeder Alma is een paar jaar geleden gestorven. Boven de boerderij van opa Sverre ligt een klein berkenbos, geplant door Sverres broer Einar. Om de stammen heen zitten ijzeren banden: sommige zijn inmiddels ingekapseld door de immer groeiende berken, andere zijn (met een luide knal) geknapt. Edvards ouders zijn omgekomen in 1971 tijdens een reis naar Frankrijk: ze werden gevonden aan de oevers van de Ancre die door Authuille stroomt, verdronken in een modderige poel. De kleine Edvard, die mee op reis was, was vier dagen spoorloos en werd uiteindelijk teruggevonden aan de kust, in de wachtkamer van een huisarts in Le Crotoy. Het ongeluk is nooit helemaal opgehelderd en ook hoe Edvard vier dagen spoorloos was, is een mysterie gebleven… Edvard is best verliefd op de mooie Hanne Solvoll…

Als opa Sverre komt te overlijden, vertelt de oude dominee aan Edvard wat hij weet over de familie Hirifjell, over Edvards ouders, over Einar, de broer van opa. Dit verhaal brengt Edvard in beweging en hij gaat op onderzoek uit. Zijn reis brengt hem naar de Shetland Isles, naar Uns en naar het piepkleine schereneiland Haaf Gruney waar de broer van zijn opa zich heeft teruggetrokken. Daar leert hij Gwen kennen, wiens grootvader Duncan inmiddels is overleden. Het kostbare hout van de walnotenbomen van de familie Daireaux wordt het middelpunt van een gemeenschappelijke zoektocht die hen samen naar de Sommevallei voert…

Enfin, als ik je nu nog niet heb kunnen verleiden tot het lezen van dit spannende boek, dan weet ik het niet meer! Zoals in alle boeken van Lars Mytting, de schrijver van o.a. De zusterklokken (eveneens een aanrader!), speelt hout ook in dit boek een belangrijke rol. Mytting is niet alleen een liefhebber van hout, maar ook van auto’s en dat merk je eveneens als je het boek leest… Hijzelf is de trotse bezitter van o.a. een 50+ oude Jaguar. Hoewel ik De zusterklokken net een tikkeltje beter vind, geef ik De vlamberken zeker ⭐⭐⭐⭐!

Geplaatst in Lezen | Een reactie plaatsen

Zomeravondwandeling…

Het zomert in Noord-Holland en niets is dan zó fijn als een wandeling aan het begin of aan het eind van de dag… Afgelopen maandag kozen wij voor een avondwandeling, we parkeerden aan het begin van de Zeeweg en liepen een om(merdepom)metje in het duingebied tussen Bergen Binnen en Bergen aan Zee… Hieronder een fotoverslag – de beelden zeggen genoeg!

Hengel, een halfparasiet, groeit met name bij eiken, berken en bosbes
De meidoorn bloeit uitbundig…
Op een enkele plek kleurt brem de wegkant of een duinhelling warmgeel
Duinroosjes
Ook de dennen bloeien…
Bij de duinmeertjes staat de gele lis te schitteren!
Klaprozen zie je in de duinen haast niet
Avondlicht door bloeiend gras
Avondkoekoeksbloem…
… en dagkoekoeksbloem
Rolklaver (?)
Geplaatst in Duinen, Wandelen | 1 reactie

De onzichtbaren

“Nostalgie is een gevaarlijk gegeven. Het wakkert nationalisme aan, voortgestuwd door de illusie dat je een geromantiseerde versie van het verleden met politieke middelen kan herscheppen.”

“Ik voel het meer als mijn taak om vat te krijgen op het verleden. Nostalgie is overigens ook menselijk. Als je de Griekse etymologie van het woord opzoekt kom je uit bij de betekenis ‘een oude wond waarvan het aangenaam is eraan te krabben’. Een hele mooie invulling, vind ik. Veel mooier dan hoe we tegenwoordig het begrip interpreteren.”

Aan het woord is de Noorse schrijver Roy Jacobsen in een interview met Anne Grietje Franssen in het dagblad Trouw (gepubliceerd op 25 augustus 2020). Jacobsen heeft m.i. een machtig mooi boek geschreven dat De onzichtbaren heet. De roman vertelt het verhaal van de familie Barrøy die op het gelijknamige eiland woont voor de Noorse kust. Barrøy is een klein eiland, dat een lengte van amper een kilometer heeft en dat een een kleine 500 meter breed is. Ergens op het eiland staan de ruïnes van een oudere nederzetting, maar thans staat er één boerderij waar vader Martin woont, met zijn dochter Barbro en zijn zoon Hans, die getrouwd is met Maria. Hans en Maria hebben één kind: Ingrid. Het verhaal speelt zich, zonder specifieke jaartallen te noemen, af begin twintigste eeuw. Ergens komt er een oorlog langs – de Eerste Wereldoorlog? – maar die krijgt in het boek geen naam; drijft wel naar inkomen zoekende Zweedse vluchtelingen naar de Noorse kust… en het gezin Barrøy heeft met de onverwachte gevolgen daarvan te maken.

Zoals gezegd, vind ik het een machtig mooi boek. Ten eerste spreekt de thematiek mij aan… Diep in mijn hart ben ik een romanticus die het leven op zo’n afgelegen Noors eiland ergens wel heel aantrekkelijk vind… Al weet ik ook dat ik me als Westers watje diep ongelukkig zou voelen tijdens alle ontberingen en vooral ook tijdens de donkere winterdagen waarop het maar een paar uurtjes licht is… Ten tweede spreekt de taal me aan. Jacobsen schrijft observerend, soms beeldend, en gebruikte over het algemeen eenvoudige taal waardoor er m.i. ook een poëtische zweem doorschemert in het taalgebruik. Zo voelt dat althans voor mij. Ik wil daar graag een voorbeeld van geven: op blz. 98-99 gaat het even over stilte – een uitzonderlijk fenomeen op een eiland waar je altijd de zee en de wind hoort. De familie is bezig met turfsteken…

Stilte

Ingrid is de enige die geen turf steekt, ze is te klein, alweer, zij keert halfgedroogde turven om en zet ze rechtop, als dominostenen, in een visgraatpatroon, zodat de wind er tussendoor kan glippen om ze te drogen, de warme landwind die al dagenlang over het eiland waait, maar nu helemaal wegvalt.
Ze merken het allemaal tegelijk.
Ze houden op met werken, kijken op, kijken naar elkaar en luisteren.
Plotseling horen ze ook geen vogelgekrijs meer. Geen ritselende grassprieten of zoemende insecten. De zee is vlak, het gekabbel tussen de rolkeien is verstomd, er is geen enkel geluid te horen tussen alle einders, het is alsof ze binnenshuis zijn.
Zo’n stilte maken ze maar hoogstzelden mee.
Het bijzondere eraan is dat deze stilte op een eiland voorkomt. Dat maakt haar indrukwekkender dan de stilte die onverwacht in een bos kan toeslaan. In een bos is het vaker stil. Op een eiland is stilte zo zeldzaam dat de mensen blijven staan, om zich heen kijken en zich afvragen wat er aan de hand is. De stilte verbaast hen. Die is mysterieus en roept een haast prikkelende verwachting op, de stilte is een gezichtloze vreemdeling in een zwarte cape die met geruisloze stappen over het eiland doolt. De duur hangt af van het jaargetijde, de stilte kan langer duren als het vriest in de winter, zoals toen er hier ijs lag, terwijl er in de zomer altijd slechts een korte pauze is tussen het ene briesje en het andere, tussen eb en vloed, of het wonder dat plaatsvindt in een mensenlichaam als het na het inademen weer uitademt.
Dan krijst er opeens weer een meeuw, komt er een nieuwe windvlaag vanuit het niets, en de weldoorvoede zuigeling op de schapenvacht wordt wakker en begint te brullen. Ze kunnen hun werktuigen oppakken en weer verder werken alsof er niets gebeurd is. En dat is ook precies wat er is gebeurd: niets. Mensen hebben het over de stilte voor de storm, dat stilte een waarschuwing kan zijn, een voorbode, iets waar je aandachtig de Bijbel op na moet slaan om de betekenis ervan te begrijpen. Maar de stilte op een eiland is niets. Niemand praat erover, niemand blijft eraan denken of geeft haar een naam, al heeft ze nog zo’n grote indruk op hen gemaakt. Het is een glimp van de dood, die ze krijgen terwijl ze nog leven.

Ten derde is het gewoon een mooi verhaal. Jacobsen blikt terug op de Noorse geschiedenis, iets wat de Noren naar zijn zeggen onvoldoende doen. Noorwegen was een arm land dat van de visserij leefde. Het leven zoals je er in De onzichtbaren over leest, was een hard leven en Jacobsen maakt het niet mooier dan het is! De strijd om het bestaan, leven én dood, daar gaat het over. De vondst van olie- en gasvelden in de 60’er jaren van de vorige eeuw bracht enorme economische maar ook culturele veranderingen met zich mee.

Flaptekst

“Op een eiland vlak voor de adembenemende kust van Noorwegen groeit Ingrid Barrøy op. Het ruwe eilandleven verloopt volgens zijn eigen wetten, met zware winters en heldere zomers. Een leven dat, net als het landschap zelf, van een grootse, broze schoonheid is, met in de verte de rest van de wereld. Ingrids vader droomt ervan een kade te bouwen die hen verbindt met het vasteland, maar zo dicht bij de rest van de wereld zijn blijft niet zonder gevolgen. Haar moeder heeft haar eigen dromen: meer kinderen, een kleiner eiland, een ander leven.”

De onzichtbaren is deel één van een reeks van vier boeken waarin Jacobsen de familie Barrøy volgt… Alleen dit eerste deel is vertaald in het Nederlands. Ik kan me niet voorstellen dat de andere delen niet zouden volgen! De onzichtbaren krijgt van mij in elk geval ⭐⭐⭐⭐⭐.

Geplaatst in Lezen | Een reactie plaatsen

Ommerdepom!

Vanaf vandaag sta ik officieel geregistreerd als werkzoekende… Als je er zo bij stilstaat, is dat best onwerkelijk want ik heb meer dan 40 jaar gewerkt en het is dus erg lang geleden dat ik ‘aan den dop’ was, zoals ze dat in Antwerpen zeggen… Bij werkeloosheid horen verplichtingen, met name de plicht om ander werk te zoeken. Daarvoor moet je zgn. sollicitatieactiviteiten ondernemen en een daarvan is een zgn. netwerkgesprek. Daarom ben ik met J. afgesproken bij het Huis van Hilde achter het station van Castricum. We gaan een flinke ommerdepom maken en we gaan het zeker ook over werk(en) hebben.

Naast het Huis van Hilde, het Noord-Hollands Archeologiecentrum en -museum, loopt een pad dat uitkomt bij een relatief nieuwe duiningang. Met een lange, vrij steile trap die een mens confronteert met zijn conditie, klim je letterlijk de duinen in, de Papenberg op. Bovengekomen wordt onze blik gevangen door een heuse eyecatcher: een uitkijktoren met een zeer bijzonder ontwerp dat verre van alledaags is. In een buizenframe van ruim zeven meter hoog hangt een stalen gevaarte: een ronde en gebogen cortenstalen constructie, die veel van een schip weg heeft. Vanaf de Beverwijksestraatweg lijkt het inderdaad alsof er een schip drijft op het groen. Uiteraard beklimmen we de toren en genieten van het uitzicht vanaf de twee uiteinden: het ene is gericht op het (zuid)westen, het andere op het (noord)oosten.

Aan de andere kant van de Papenberg – wat een bijzondere naam trouwens, waar komt die vandaan!? – dalen we netjes tussen de hekken af en komen uit op een pad. Daar stuiten we op het huis van de tandenfee… Dit vraagt wellicht om enige toelichting? Welnu, sinds een half jaar of zo treffen wandelaars in het Castricumse duin op allerlei plekken woningen aan die mogelijk door sprookjesfiguren als kabouters en feeën worden bewoond… Ondanks een oproep in de lokale pers (“Wie plaatst deze leuke huisjes, wie maakt ons zo blij!?”) maakt de maker zich niet bekend… Heerlijk toch dat zoiets nog bestaat!?

Ik ken hier de weg niet en maar J. blijkt wel thuis te zijn in dit duingebied want ze herkent her en der locaties en loodst ons al pratend (over werk en andere zaken) door het frisgroene bos naar camping Geesterduin. Helaas wordt het toiletgebouw net schoongemaakt, ik bewaar mijn plasje voor later… We koersen – niet in een rechte lijn – af op gasterij De Kruisberg, echter niet zonder van onze route af te wijken en een klein paadje in te lopen waar de bosbodem een paar weken geleden nog paars gekleurd was door een zee van hyacinten… Net passeerden we ook al een bos waar de bodem bedekt was met duizenden lelietjes-van-dalen ofte meiklokjes. We zijn het met elkaar eens dat deze typische moederdagbloemetjes dit jaar veel minder bloeiden dan normaal…

En dan is daar de gasterij. Via een uitgekiend eenrichtingsverkeerssysteem (met de vriendelijke groeten van onze premier, lezen we op een bord) komen we terecht bij een balie waar we kunnen bestellen en afrekenen. Met een dienblaadje in de hand lopen we weer naar buiten en zoeken een plekje op in de schaduw. J. geniet van haar verse muntthee met een stukje boterkoek, ik kies – ondanks het vroege uur – voor een biertje dat ik niet ken, ’n Grevensteiner Original gebrouwen door C&A Veltins, een brouwer uit het Duitse Sauerland. Schmeckt gut! Tevens werk ik een flapjack naar binnen, en dat is een soort koek, die gebakken wordt van boter, suiker en havermout. Vaak wordt er honing en/of muesli gebruikt in plaats van suiker en havermout. “Het is een traditioneel gerecht dat in Groot-Brittannië wordt gegeten bij de thee als de kinderen uit school komen,” lees ik op Wikipedia. Ik ken het van de lunchpakketten die we in de Engelse jeugdherbergen meekregen als we in dat land op wandel- of fietsvakantie waren en in youth hostels overnachtten. Sweet memories (letterlijk en figuurlijk).

Het wordt fris in de schaduw en we gaan maar weer eens verder. Ongelooflijk hoeveel paden hier nog liggen die ik nog nooit betreden heb… Het wordt steeds warmer, zeker als we stukken duin doorkruisen waar de wind geen vat op ons heeft en de zon onbarmhartig op ons neer straalt. We zetten koers op Heemskerk aan Zee…

Op het strand zit en ligt volk, naarmate we verder van Heemskerk zijn en het stille strand van Castricum naderen, wordt er ook meer bloot gerecreëerd. Sommigen zijn zo diepbruin door de zon gekleurd dat je gaat denken dat het hier al twee maanden van dit schitterende weer is… Wij weten wel beter! Zonnebankwerk, denken we. Of: die mensen hebben in Spanje overwinterd. Wij tweeën met onze bleke benen stappen dapper voort langs de waterlijn tot we een hoge & steile strandopgang bereiken. Door het mulle zand ploeteren we omhoog. Dit is echt afzien!

Aan de andere kant van de zeereep liggen de infiltratiemeertjes te glinsteren en te schitteren in de zon die ongenadig op ons bolletje schijnt.

We lopen parallel met het fietspad naar de aalscholverkolonie, komen langs de Brabantse Landbouw en zo bereiken we ten slotte de bosrand… het bos… de koelte! De Slingerweg voert ons naar Kijk Uit en dan zijn we zo weer bij het station van Castricum. Onderweg komen we nog een kabouterburcht tegen, gebouwd in een omgezaagde holle boom…

Bijna 17 km hebben we in de benen als we afscheid nemen. We geven onszelf een vet compliment. Het was een mooie wandeling en het waren leuke gesprekken. En ik ben een werk-tip rijker – volgende week eens bellen, denk ik!

Als afsluiting nog iets over de Brabantse Landbouw: ooit omvatte dit boerenbedrijf zo’n 250 ha duingebied tussen Kijk Uit en Johanna’s Hof. De Amsterdammer Andries A. Deutz van Assendelft, tevens eigenaar van kasteel Assumburg, was in de 18de eeuw eigenaar van het Castricumse duingebied. Deze familie heeft de boerderij omstreeks 1763 gesticht.

Wie tegenwoordig een wandeling maakt door het duinterrein ”Castricum” van het Provinciaal waterleidingbedrijf – voorheen Geversduin – en, ongeveer halfweg tusschen ”Kijk Uit” en het strand, de ”Brabantsche Landbouw” passeert, zal zich nauwelijks kunnen voorstellen dat dit nog het woonhuis is van een der grootste boerderijen der Gemeente, zoo niet de grootste.

Deze boerderij die ver voor het jaar 1800 reeds gebouwd moet zijn, bevatte toen een stal, plaats biedend voor ruim 30 koeien, welke zoo was ingericht dat de koeien met de koppen naar elkaar stonden, zoodat over een middelgang daar tusschendoor geloopen kon worden, een Brabantsche stal dus. Verder een paardenstal voor 8 paarden, een z.g. hengstenstal, kalverenhokken, en een gedeelte waar de kaas gemaakt werd. Voorts een vierdubbeld vierkant voor, hooi- en zaadberging, on een ”dorsch” van +/- vijftien bij acht meter als bergplaats voor wagens enz, en op welker dorschvloer het toen aldaar verbouwde graan bewerkt werd. Tevens was los van de boerderij nog een hooiberg gebouwd, benevens een z.g. werkbolt. Het woonhuis dat onder de zelfde kop lag, bestond uit drie groote achter elkander gelegen kamers, met een opkamer, waaronder de kelder.

Bron: de website duinenenmensen.nl.

Geplaatst in Duinen, Wandelen | Een reactie plaatsen

Om boter en yoghurt

Het is echt een tijd geleden dat ik een stukje heb gefietst. Vandaag is het stralend weer en ik wil naar Eenigenburg fietsen om boter en yoghurt te kopen op de boerderij van boer Bram. Boer Bram boert bio-dynamisch en onder de merknaam Loeigoeie Zuivel verkoopt hij spullen van het eigen land. Beter vind je niet…

Ik fiets door Koedijk en volg het Noordhollandsch Kanaal tot bij Schoorldam. In feite fiets je hier al op de West-Friese Omringdijk maar het échte Omringdijk-gevoel heb je hier nog niet…

Voorbij Schoorldam begint dat gevoel al een beetje te komen. De dijk is wat smaller en wat hoger, en kronkelt al wat meer door het landschap. Links van de dijk ligt een enorm uitgestrekt vakantiepark. Eerlijk gezegd denk ik dat het meerdere recreatieparken zijn maar dat weet ik niet zeker, ik heb me er nog nooit in willen verdiepen.

Richting Krabbendam gaat het nu – een naam die duidelijk verwijst naar een ligging dichter bij of aan zee. Langs de dijk staan her en der mooie huisjes en stolpboerderijen. Ik heb hier vroeger vaak gefietst, ik heb het dan over de jaren dat ik in Schagen werkte (2005-2011): als het weer redelijk was dan ging ik op de fiets te werken…

Voorbij Krabbendam wordt de dijk nóg smaller en nóg hoger. Kijk, hier voel je dat je op historische grond fietst! Rechts in het weiland staat een stalen uitkijktoren met een rood pannendak: dat is de locatie waar Floris V een dwangburcht had gebouwd. Ik ga hier zeker nog eens een blog aan wijden…

Ik nader nu Eenigenburg, mijn bestemming. Maar eerst fiets ik het dorpje, dat een paar honderd meter van de dijk af ligt, voorbij om een blik te werpen op de twee wielen, getuigen van even zo vele dijkdoorbraken… De zee stortte zich hier met veel geweld op het land; nu vormen de wielen een paar blauwe ogen die een toonbeeld van rust zijn en de blauwe lucht weerspiegelen…

Dan fiets ik het dorpje in vanaf de noordkant. In de bocht staat een lang huis waar ooit een café zat; ik heb er wel eens wat gedronken, maar dat is minstens twintig jaar geleden.

Voor ik naar de boerderij ga, wil ik even rondkijken bij het mooie kerkje. Dit is weer een zgn. Geluksplek binnen de gemeente Schagen… In een eerdere blog schreef ik over de Geluksplek van Sint Maarten. Het Geluksplekbord hier vertelt dat het 13de eeuwse dorpje Eenigenburg een rijke geschiedenis heeft. Het kerkje dateert van 1792 en staat op een kleine terp. Het graf van meester Theunis is de plek waar je je geluk kunt overpeinzen aan de hand van een paar vragen op het Geluksplekbord. Meester Theunis leefde van 1803 tot 1889 en was meer dan vijftig jaar hoofd der dorpsschool.

In het onbemenste winkeltje op de boerderij sla ik roomboter (de lekkerste van de hele wereld) en volle yoghurt in. Je pint er gewoon zelf, leuk! Ik wikkel alles in de trui die in mijn fietstas zit en vat de terugtocht aan. Al na 50 meter zie ik een bekend gezicht… en ja, zij herkent mij ook! ‘Zij’ blijkt een moeder te zijn van een van de kinderen van mijn school in Schagen. Voor ik het weet zijn we een half uur verder. We staan te praten in de dorpsstraat terwijl er om de drie minuten een enorme trekker met een aanhangwagen vol vers gemaaid gras langs raast… niet helemaal relaxt!

Mijn route naar huis voert me door Warmenhuizen. Bij de oude Ursulakerk stap ik even af. Wat een mooie kerk is dat toch. Vroeger werd hier elke zomer een tentoonstelling gehouden. Als het paste, bezocht ik die met mijn klas en breide er dan een kunstproject aan vast: onderwijs zoals ik het graag geef…

Voorbij Warmenhuizen ligt de polder Diepsmeer. Ik fiets over de kaarsrechte Diepsmeerweg, neem dan De Groet langs camping De Kolibrie en bereik zo het Geestmerambacht. Leuk om hier weer eens door te fietsen… vanaf het fietspad ziet het er toch anders uit en beleef je het ook anders… Bijna thuis!

Geplaatst in Fietsen | Een reactie plaatsen

Vier boeken

Olga Tokarczuk – De rustelozen

Van Olga Tokarczuk las ik een tijd geleden het boek Jaag je ploeg over de botten van de doden en dat beviel me uitstekend. Daarom wilde ik graag meer van haar lezen en ik kwam uit bij De rustelozen omdat ze hiermee definitief roem verwierf. Ze won er in 2008 de Nike mee, een Poolse jury- en publieksprijs. In 2018 volgde de Man Booker International Prize. En in 2019 ontving ze, met terugwerkende kracht, de Nobelprijs 2018 voor de literatuur.

Laat ik maar beginnen met te stellen dat iets vertellen over dit boek, een hachelijke onderneming is… Een recensent van De Groene Amsterdammer zei het zo: “De rustelozen is (…) fijner om te lezen dan om over te schrijven – je blijft bezig er betekenis in te leggen, waarmee je het leesplezier bijna vergeet te benadrukken. (…) [Het is] een boek dat de lezer opzadelt met een intrinsieke paradox. Het daagt uit om te zoeken naar betekenis, een sleutel, een samenhang tussen de verhalen; terwijl je het boek het beste tot je kunt nemen door geen betekenis te verwachten en de verhalen over je heen te laten komen.”

Beter kan ik het niet zeggen en dus laat ik mijn bespreking hierbij. Wel wil ik eraan toevoegen dat ik waarschijnlijk een zelfde leeservaring heb gehad als de recensent van DGA. Vaak heb ik gedacht: waar gaat het nu weer over!? Ik verwonderde me (en soms ook: ergerde me) aan de totale (schijnbare?) structuurloosheid van de roman. Tokarczuk heeft het zelf over een constellatieroman. Wat me aan het lezen hield? Wel, ze schrijft gewoon goed! En al die verhalen en verhaaltjes (sommige 20+ bladzijden, andere amper een alinea) zijn vaak interessant (bijna wikipedia-achtig); en met name de kortere stukjes ontlokten vaak een glimlach bij me.

Tot slot. Olga Tokarczuk wordt door de Poolse nationalisten uitgekotst maar ze vindt zichzelf een echte patriot en verwerpt de aanvallen op haar persoon en op haar werk als xenofobisch en racistisch. Ik denk zomaar dat ze een dame is waar de Poolse regering mee in hun maag zit… Ik geef het boek ⭐⭐⭐(⭐)

Franca Treur – X&Y

Franca Treur debuteerde in 2009 met de roman Dorsvloer vol confetti, waarvan nu meer dan 150.000 exemplaren werden verkocht, een indrukweekend aantal… Ik heb dat boek jaren geleden zelf gelezen en vond het prachtig (⭐⭐⭐⭐⭐). Daarom werd ik getriggerd toen de naam Franca Treur langskwam op BoekPerWeek. En ik dacht: laat ik weer eens een Treur lezen. Het werden er twee…

X&Y las ik het eerst. Het is een klein en dun boekje (94 blz.) met 33 korte verhalen. De meeste hebben aan twee bladzijden genoeg. Ze gaan over onderwerpen zoals Tinder, relaties, smetvrees, onzekerheid, … kortom uit het leven gegrepen en herkenbaar ook… Bovendien bondig, op een soort neutrale, droge toon verteld. Een zalig boekje om in je rugtas te hebben en in te duiken als je op de bus staat te wachten. Zelfs Maarten Biesheuvel, de onbetwiste koning van het korte verhaal, werd bekoord door de verhaaltjes van Treur die hij in de NRC las en dus nu zijn uitgegeven in boekvorm. Geheel duidelijk is het mij trouwens niet geworden of álle verhaaltjes eerst in het NRC Handelsblad zijn verschenen… maar dat is een volkomen ondergeschikte vraag.

Wat het boek extra aantrekkelijk maakt, zijn de illustraties van Olivia Ettema. Geheel mijn stijl… Dit boekje krijgt van mij ⭐⭐⭐⭐.

Franca Treur – Regieaanwijzingen voor de liefde

Regieaanwijzingen voor de liefde verscheen in 2019. De roman bestaat uit 50 korte schetsen (hoofdstukjes) van 2 à 3 bladzijden, ieder voorzien van een illustratie van Olivia Ettema en dat is ook hier een plus! Hanna en Loek zijn een kinderloos stel van eind twintig, begin dertig – zo schat ik. Loek heeft zijn baan opgezegd, hij wil zich creatief gaan uiten. Hanna is scriptschrijver. Samen werken ze nu aan het script voor een nieuwe film die Reinout wil gaan draaien.

In elk hoofdstukje zie je eigenlijk een scène uit het leven van Hanna en Loek. Je ziet ze werken, twijfelen, ruzie maken, nadenken, huichelen, invulkunde bedrijven enz. Naast Hanna en Loek (en Reinout) zijn er de zieke buurman, de moeder van Loek, een vriendin van Hanna, de ex van Loek en nog enkele andere figuren die in de coulissen meespelen. Net als X&Y is de schrijfstijl neutraal, ietwat zakelijk, observerend, nergens oordelend maar o wee! als lezer heb je je oordelen wel degelijk de hele tijd klaar en daarom is het dus smullen geblazen! Ook van dit boek heb ik enorm genoten… ⭐⭐⭐⭐

Ellen Deckwitz – Dit gaat niet over grasmaaien

Dit boekje gaat inderdaad niet over grasmaaien… maar over poëzie. Ellen Deckwitz heeft een missie: mensen en zeker ook jonge mensen, warm maken voor poëzie. Niet voor niets luidt de ondertitel: Hoe lees je poëzie. Het boek bestaat uit eenentwintig hoofdstukken die steeds weer vanuit een iets andere invalshoek poëzie benaderen. Een aantal hoofdstukken is eerder gepubliceerd in De Morgen en in nrc.next.

Elk hoofdstuk begint met een gedicht. Vervolgens krijg je een vaak smakelijk opgediend pleidooi, vaak gelardeerd met fragmenten uit andere gedichten. En tot slot van elk hoofdstuk krijg je nog een aanvullende leestip.

Ik vind het een zeer onderhoudend en inspirerend boekje, ik heb in elk geval maar weer eens een gedichtenbundel gehaald bij de bibliotheek :-). ⭐⭐⭐

Geplaatst in Lezen | Een reactie plaatsen

Vroeg uit de veren

Ik weet niet waarom, maar rond half vijf doe ik één oog open en vervolgens een tweede… Ik richt me op en loer naar buiten door een spleet tussen de gordijnen. De hemelkoepel is wolkeloos en blauw, en in het noordoosten licht een zachtoranje gloed op aan de einder… Klaarwakker ben ik nu.

Twintig minuten later parkeer ik de auto aan de Wagenweg. De hemelkoepel is nog altijd wolkeloos en blauw, en in het noordoosten licht nog steeds een zachtoranje gloed op aan de einder… Over het land liggen sliertige dekens van nevel en over dit ochtendlijke tafereel strooit de volle maan haar tanende licht…

Vanaf de parkeerplaats loop ik over het fietspad naar de brug over de Saskevaart.

Vervolgens loop ik de grasdijk op die de grens vormt tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ Kleimeer. De roerdomp laat uitbundig van zich horen, het misthoorngeluid dat hij voortbrengt klinkt zo ’s morgens vroeg nog mysterieuzer dan anders, vind ik. Verder is het een gesnor, getsjilp en gegak van jewelste en hoor je nog geen verkeer… Als je buiten bent, horen die natuurgeluiden wat mij betreft bij het begrip stilte… Als op een gegeven moment een auto met een opgevoerde motor optrekt, ervaar ik dat als een Grote Inbreuk… Hoe durf je het om zo vroeg op de ochtend zoveel herrie te maken. Maar het geluid sterft weg en de stilte neemt het weer over. Overigens wordt tijdens zo’n vroege wandeling ook je neus getrakteerd op allerlei intense geuren… van vochtig land tot meidoornparfum!

Het is al na half zes als de zon eindelijk boven de bomen komt en met haar oranje licht de nevelslierten doet oplichten. Het lijkt alsof de roerdomp er nog een schepje bovenop doet!

Intussen zijn mijn schoenen door en door nat! Zo’n bedauwde grasdijk is erger dan een bergriviertje waar je doorheen moet… Langs de Nauertogt zet ik er even stevig de pas in. De mannen van Min Infra, die bezig zijn met een complete herinrichting van de Nauertogt, zijn nog niet aan het werk; hun machines staan te glanzen in de eerste zonnestralen.

Ik verlaat de Nauertogt en loop weer een grasdijk op. Ik zou ook kunnen zeggen: een modderdijk… Ik glibber een eind verder en krijg na een paar honderd meter weer uitzicht op de Kleimeer. De zon staat inmiddels een stukje hoger en ik vind het verbazingwekkend hoeveel nevelbanken er al zijn weggebrand in het afgelopen kwartier of zo…

Ik loop het hele pad langs de Kleimeer af. Intussen schuiven er steeds meer wolken voor de zon. Vanaf de brug over de Saskevaart zie ik een groep ganzen zwemmen.

Thuisgekomen zet ik mijn kliedernatte schoenen bij de achterdeur – die moeten straks naar buiten om te drogen. Ik trek droge sokken aan en zet een pot… koffie!

Geplaatst in Kleimeer | Een reactie plaatsen

Vendredi

Onze laatste échte vakantiedag is aangebroken… morgen gaan we weer op huis aan. Ook voor vandaag voorspellen de weermannen/-vrouwen een droge dag met ruimte voor de zon… De afgelopen dagen heb ik min of meer een opbouwschema afgewerkt: begonnen met kortere rondjes en de afstanden steeds wat opgevoerd. Vandaag ga ik met dochterlief een wat grotere wandeling maken, met een iets grotere rugzak op, eentje die geschikt is om weekend mee te lopen. Sinds ik nu bijna twee jaar geleden zwaar door mijn rug ging, is het herstel nu zover gevorderd dat ik dat aandurf. En ik hoop dan deze (na)zomer weer eens een weekendtochtje met lichte rugzak te kunnen lopen. Als dat lukt, heb ik mijn revalidatiedoel bereikt…

Terug naar Ennal. Ik ga gauw heen en weer naar de bakker, we ontbijten gezellig samen en we vertrekken met ons drieën… net als gisteren via de hoofdstraat het dorp uit. Er is beduidend minder blauw aan de hemel maar de zon steekt er af en toe toch door.

Over de heuvelrug via het Croix Sainte Cathérine de Tigeonville dalen we naar de N68. Onderweg komen we een behaard stel tegen en haakt vrouwlief af, zij gaat een klein rondje lopen…

Deze keer steken we de N68 over en klimmen aan de overkant van de Salm door het dorpje Rochelinval omhoog. Er staan fraaie huizen, het ene past al wat beter in het landschap dan het andere… Ergens heb ik het er wel moeilijk mee dat er zo modern mag worden gebouwd in dit oude cultuurlandschap… Ik mag overigens graag dit soort strakke architectuur. Maar passend vind ik het hier dus niet. En al helemaal niet met zo’n poort – waar slaat dat op!? In de tuin van dit moderne huis staat overigens een houten chaletje model ‘Tirol’ achter een identieke, al even belachelijke poort met huisnummer 20 erop – dat slaat ook al nergens op! Mijn bescheiden mening hoor! Enfin, een mens heeft zo onderweg iets om zich even lekker aan te ergeren.

We kijken nog eenmaal achterom, het Salmdal in, en laten dan het boerenland achter ons en lopen een eerste bos in. Op deze plek zien we altijd enorme mierenhopen en dat is dit jaar niet anders! Het krioelt er van de – miljoenen? – mieren!

We komen nog eenmaal het bos uit bij het gehucht Quartiers waar deze mooie boerderij staat: alweer geen werkende hoeve meer maar een vakantieverblijf. Mooi plekje!

Dan duiken we voor de komende uren echt de bossen boven de Salmvallei in… De bossen zijn hier heel gevarieerd: hoge sparrenbossen waarvan de rijzige stammen doen denken aan de zuilen van oude kathedralen, machtige beukenbossen en natuurlijk daartussen jongere aanplant.

Ik heb een bepaalde route in mijn hoofd, die we al een paar keer hebben gelopen. Je loopt dan over een oudere weg die zich door de bossen slingert. Helaas… slagbomen en bordjes die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten (ook niet als je een Nederlander bent die geen Frans begrijpt), dwingen ons een omweg te maken… Gelukkig blijven we onverhard lopen en zitten er mooie paden tussen, lekker ouderwets-Ardens met diepe wielvoren die vol water staan. Genieten!

We picknicken in de kant van de weg. Uit de wind in het zonnetje is het heerlijk toeven! Het is nu nog een kwartiertje lopen naar Farnières, een kasteel dat begin 20ste eeuw werd gebouwd als jachtslot. Helaas overleed meneer baron voortijdig en toen het gebouw af was (1929) schonk de barones het aan de paters Salesianen van Don Bosco. In 1935 werd er een tuinbouwschool opgericht en in 1944 ook een landbouwschool. De scholen werden gesloten in 1967 en het gebouw werd van dan af gebruikt als spiritueel centrum waar onder andere seminaries gegeven werden. Tegenwoordig is het een ontmoetings- en verblijfscentrum voor jongeren, gezinnen en verenigingen.

Een leuk weetje (althans voor de bierliefhebber – en dat ben ik…): speciaal voor het Don Bosco-centrum wordt het bier La Farnières gebrouwen door de Brouwerij Val-Dieu in de gebouwen van de Abdij van Godsdal. Het is een blond bier met een alcoholpercentage van 8% dat enkel verkrijgbaar is ter plaatse. Dat laatste is erg jammer want het kasteel is gesloten (corona) en bovendien alleen toegankelijk voor wie er verblijft…

Voorbij het kasteel komen we langs een kapelletje. Ik loop er altijd even naar binnen: twee van de mooiste glasramen die ik ken, zijn hier te bewonderen. Klein maar fijn!

Over statige beukendreven door machtige beukenbossen lopen we met een brede bocht naar de bewoonde wereld, steken de spoorlijn en de Salm over en klimmen dan de Salmvallei weer uit richting Ennal.

De tocht is volbracht. 18,3 km staat er op de teller (ViewRanger). Mijn lijf heeft het goed doorstaan. Ik ben blij en tevreden. Ik zet me opnieuw buiten aan een tafeltje met een Chimay rouge, dat heb ik wel verdiend… maar helaas begint het wat te druppelen… Even later barst er een flink onweer los. Op de buienradar zien we dat het even gaat opklaren en dat er daarna een tweede onweer overtrekt. Tussen de buien door gaan we naar buiten en wandelen we naar de bosrand. Wat een (kleuren)spektakel… Een prachtig afscheid van Ennal, een schitterend einde van een zalige week. En dat in tijden van corona… Ik voel me intens gelukkig!

Bij de eerste druppels van het tweede onweer zijn we weer bij Les Bouleaux. Een fantastisch vakantieadres, eenvoudig maar charmant ingericht, van de nodige gemakken voorzien en dit alles voor een heel nette prijs, zeker als je rechtstreeks contact opneemt met de eigenaresse Mme. Thill.

Geplaatst in Vakantie, Wandelen | 2 reacties

Jeudi

Volgens de weersvoorspellers kunnen we vandaag een grotendeels droge dag verwachten met wat ruimte voor de zon. En dat lijkt te kloppen als we de gordijnen open doen… Ennal ligt er zonnig en vredig bij… Voor het eerst deze vakantie ben ik ná zevenen wakker geworden, het is zelfs al kwart voor acht. Een half uur later nemen we de benenwagen om naar de bakker te gaan.

De wandeling begint met de klim door de Rue Claudlisse waarbij we dit prachtige huis passeren. Destijds brachten we jaarlijks de herfstvakantie door in Ennal, en droomden we ervan dit huis te kopen en zo ons eigen stekje te creëren in de Ardennen; toen het huis eenmaal te koop kwam te staan, was het verkocht voordat wij er lucht van kregen. En het is goed zo: je binden aan één plek brengt meteen een hoop verplichtingen met zich mee en maakt dat je minder geneigd bent om andere reisbestemmingen te kiezen. Prima dus dat het zo is gelopen. En het huis is nu als vakantiewoning te huur, voor acht personen. Wie weet huren we het in de toekomst eens en nodigen we de kinderen en kleinkinderen uit. (Amai, dat klinkt wel alsof ik heel oud aan ’t worden ben…)

Over de heuvelrug, hoog boven de Salmvallei, lopen we tot bij het kruis van Sainte Cathérine de Tigeonville en dalen vandaar af naar Grand-Halleux dat ook al ligt te blaken in de zon.

We vullen mijn rugzak met pistoleetjes, vers brood, een rabarbertaartje, pains au chocolat en een croissantje. Via de gebruikelijke route wandelen we terug naar Ennal waar we ons op het platje naast ons huis installeren: ontbijt buiten, in het zonnetje… dat is genieten!

Om half twaalf staan we klaar voor onze tweede wandeling: die wordt wel een stuk langer. In mijn rugzak zit een lunchpakket (een kwartpunt rabarbertaart), een fles water en een thermosfles granenkoffie. Deze keer lopen we het dorp uit via een straatje dat parallel loopt aan de hoofdstraat. Dat klinkt groots, maar dat valt wel mee. Beide straten hebben niet eens een naam, ze heten gewoon Ennal! We nemen de tijd om eens goed naar alle huizen te kijken… en moeten daarbij een paar venijnig blaffende en grommende hondjes van onze kuiten af houden.

Voor de tweede keer vandaag passeren we het Croix Sainte Cathérine de Tigeonville, maar nu lopen we rechtdoor en beginnen af te dalen naar de N68, genietend van de zon, de blauwe lucht en de overzeilende wolken, van de weilanden vol paardenbloemen en van het uitzicht op het dal van de Ruisseau de Tigeonville die onder de N68 doorstroomt en uitmondt in de Salm.

Waar we uitkomen op de N68, bevindt zich een klein monument ter ere van de burgers van Rochelinval die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld. Dit soort oorlogsmonumenten vind je overal in de Ardennen, klein en groot, de doden erend die gevallen zijn door het geweld tijdens dit niets ontziende conclict… Vooral aan het einde van de oorlog werd hier hard gevochten en vielen er nog veel doden te betreuren: deze fase van de strijd is de geschiedenisboeken ingegaan als De Slag om de Ardennen, ook wel Ardennenoffensief genoemd. Het was het laatste grote offensief van de Duitse Wehrmacht aan het westfront in de Tweede Wereldoorlog. De slag vond plaats in de Ardennen, van 16 december 1944 tot 25 januari 1945, en werd uiteindelijk gewonnen door de geallieerden.

We lopen 100 meter in de berm van de N68 en nemen dan de weg naar Spineux; weer een paar honderd meter verder houden we op een splitsing links aan en klimmen onverhard verder tot we het charmante gehucht bereiken. Bij alweer een oorlogsmonumentje (rechtsonder op de foto hierboven) komen we even bij van de klim; ik heb het zo warm gekregen dat het zweet in mijn oksels klotst… bij wijze van spreken, hé!

Ook voorbij Spineux klimmen we nog verder, eerst tussen de weilanden (met een mooi uitzicht op de Salmvallei onder ons) en dan door het bos. Ten slotte komen we weer tussen de weilanden te lopen en zien we voor ons de kerktoren van Wanne. De lucht is tijdelijk wat dreigender maar we houden het droog. Ons pad komt uit bij het Chateau de Wanne, we gaan rechtsaf en lopen meteen het dorp weer uit tot aan de bosrand waar we een klein bospaadje nemen dat ons brengt naar een plek waar we gisteren ook al waren: de Rocher du Faix du Diable. Tijd voor een (late) lunch!

Na de lunch scheiden onze wegen: dochterlief alias de jongere dame gaat met een flinke omweg terug naar Ennal; vrouwlief alias de oudere dame en ikzelf – jazeker, toch ook al een heer op zekere leeftijd – kiezen voor een kortere route naar Ennal. Daar hoop ik nog lekker buiten te kunnen zitten met een Chimayke en een boek…

We dalen af in de vallei van de Ruisseau du Ponceau en via de gué komen we uit bij het kapelletje. Daar zien we het huis van Mme. Thill al staan, en boven de heg steekt het dak van onze chalet… Aan die chalet zit trouwens ook nog een stukje geschiedenis vast: in de oorlog werd de door bommen beschadigde bakkerij van Grand-Halleux er in onder gebracht, na de oorlog vond het gezin Thill er een tijdelijk onderdak…

En voor wie wil weten hoe de wandelingen liepen: een kaartje. De blauwe wandeling is die naar de bakker, de roze is die naar Spineux en Wanne.

Geplaatst in Vakantie, Wandelen | Een reactie plaatsen