De Moersleutel

Wie mij kent, weet dat ik niet van pils houd. Ik ben echter wel een liefhebber van een goed bier, echt bier noem ik dat ook wel eens. Daar waar de keuze zeg nou 20 jaar geleden zich beperkte tot wat Belgische brouwerijen voortbrachten (trappist, abdijbier, gueuze, … en ik doe nu veel biersoorten tekort) is de variatie aan bieren die er thans gebrouwen wordt haast oneindig te noemen.

Nederland heeft een inhaalslag gemaakt. In het land van pisbrouwers als Heineken, Oranjeboom en Amstel zijn nu meer brouwers actief dan in bierland België. En ‘die Hollanders’ zijn, zoals vaak, behoorlijk ondernemend en innovatief. Wat mij betreft gaat het wel eens te ver met al het geëxperimenteer met smaken… Maar boeiend is het wel.

Gisteravond namen de beer engineers van brouwerij De Moersleutel biertempel De Kleine Deugniet over. Negen bieren hadden ze mee, waaronder twee specials voor deze avond*.

Ik proefde achtereenvolgens:

  • *Barley wine, op whiskyvat gelagerd;
  • Motorolie Mexican Vanilla (foto)
  • *Pinda pinda

Alledrie heel bijzonder, met de pinda pinda als meest opvallende, top om eens te proeven maar ik heb geloof ik liever een pinda bij mijn bier dan in mijn bier. Echter eerlijk is eerlijk, ik heb de pinda pinda met genoegen gedegusteerd. Beide andere bieren vond ik zalig. Daar bestel ik wellicht nog eens een paar blikjes van..

Meer informatie over De Moersleutel vind je op de website.

Advertenties
Geplaatst in Eten en drinken | 1 reactie

La petite boutique japonaise

Ik heb me de afgelopen weken gewaagd aan het lezen van een boek dat geschreven is in de Franse taal: Het Japanse winkeltje. Franse titel: La petite boutique japonaise. De auteur is ene Isabelle Artus. In den beginne dacht ik dat zij al heel wat boeken op haar naam had staan, maar ze heeft nog maar één boek geschreven… Waar die gedachte vandaan kwam, weet ik niet. Intussen weet ik dus beter.

Isabelle Artus - Het Japanse winkeltje

De Nederlandse vertaling is uitgegeven bij de Wereldbibliotheek. Ik las een Franstalige uitgave, een pocket van J’ai lu.

De jonge Pamela, kortweg Pam, woont in Parijs en houdt een klein winkeltje aan de Quai Malaquais op de rive gauche, de linkeroever van de Seine. Dat schepte al meteen een soort bondgenootschap, want ik ben opgegroeid op de linkeroever van de Schelde te Antwerpen, weliswaar niet in een bonsaiwinkeltje maar in de flat van mijn ouders. Pam wil leven als een Japanse geisha en heeft er alles voor over om eruit te zien als een authentieke Japanse gezelschapsdame… De eigenaar van het winkeltje is de heer Dr. Atsura, hij is de beschermheer (dana) van Pamela.

Thad is een jonge Breton die zich eveneens aangetrokken voelt tot Japan, hij voelt zich een heuse samourai en zijn leven staat geheel in het teken van het zich verder te ontwikkelen in die richting.

Beide jongelui ontmoeten elkaar en de vlam slaat gelijk in de pan. Echter, voor Thad is het moeilijk om zich als samourai te verbinden aan een vrouw. Op een dag verdwijnt hij spoorloos… Pam is ervan overtuigd dat hij naar Japan is vertrokken en reist hem achterna.

Ik heb echt genoten van dit boek. Ik moest wel wennen aan lezen in het Frans en was blij dat ik de vertaling bij de hand had. Vooral bij de eerste hoofdstukken kwam dat van pas. Daarna had ik steeds minder de vertaling nodig. De laatste hoofdstukken heb ik uiteindelijk toch nog in het Nederlands gelezen, want het boek moest op tijd uit zijn, immers afgelopen vrijdag kwam ons leesclubje bijeen.

Het boek leest als een sprookje. Er is een ondertoon van zachte spot maar ook van liefde voor de beide hoofdpersonen. Zij die elk in hun Japanse bubbel leven (gevlucht zijn…?), komen uiteindelijk zichzelf tegen.

Tijdens de bespreking in de leesclub voerde in feite vooral de verwondering de boventoon. Verwondering over het land Japan met zijn oeroude cultuur waar wij als westerlingen zo weinig van weten en nog minder van begrijpen… En hoe verklaar je het moderne Japan vanuit die oude cultuur? Uit die oude cultuur zich alleen maar op een andere manier in het huidige tijdsgewricht? Kortom, ik fietste met meer vragen dan antwoorden naar huis door de koude winternacht…

Isabelle Artus - La petite boutique japonaise

Geplaatst in Lezen | 1 reactie

Deugniet

Vanmiddag had ik afgesproken met (oud-)collega Emile. We hebben allebei bij Surplus gewerkt – maar nu niet meer. (Wat mij betreft zeg ik: gelukkig niet meer…) Plaats van afspraak: de Kleine Deugniet, Alkmaars onbetwist speciaalbier café.

Het was er rustig, op de achtergrond klonk muziek uit de jaren ’70 en ’80 en er ontsponnen zich mooie gesprekken over onderwijs, over ons werk als schoolleider en over o.a. bier en Schotland. Kortom, een heerlijke middag! We proefden drie bieren:

  1. De Moersleutel – Battery Jumper (double New England IPA gebrouwen met Calypso, Lemondrop en Mosaic hop)
  2. Brewskovitch – Winter Blues (kruidig winterbier met steranijs, sinaasappelschil, kruidnagel en een vleugje kaneel; deze Brown Ale is gebrouwen met 5 verschillende mout- en 3 verschillende hopsoorten. Een smakelijk, verwarmend winterbier)
  3. De Moersleutel – Barrel blend V (in bourbon- en Schotse whiskyvaten gerijpte barleywine en milkstout. Dik, zoet en met tonen van bourbon, turf, kokos en vanille)

Geplaatst in Eten en drinken | 3 reacties

Poedel

Poedel, zo wordt Michael door zijn schoolvriendjes genoemd, eerst als een soort racistisch scheldwoord, later liefkozend want hij kan heel goed voetballen…

Poedels vader is in de Tweede Wereldoorlog gesneuveld, hij was RAF piloot. Michael was niet eens geboren. Michael woont nu in London met zijn moeder Christine, een Française. Samen gaan ze geregeld op bezoek bij twee tantes die in Folkestone wonen. Tante Mary (tante Foei) en tante Martha (tante Sneeuwklokje) hebben zijn vader opgevoed, die zelf zijn vader verloor in de Eerste Wereldoorlog. De tantes hebben een hondje, een soort Jack Russell-terriër die naar de naam Jasper luistert. Als ze op bezoek zijn in Folkestone, gaan ze altijd sneeuwklokjes in zee strooien ter nagedachtenis van Michaels vader…

michael morpurgo - een medaille voor leroy (1)

Zo komen we stilaan wat meer te weten over Poedel. Hij zou zelf heel graag een hondje hebben, maar zijn moeder wil dat niet. “Honden,” mopperde ze altijd. “Daar heb je alleen maar een hoop rommel van. Ze stinken en zitten onder de vlooien. Daarom zitten ze zich ook altijd te krabben. En ze likken zich overal waar iedereen bij is. Répugnant! Abhorrent! Dégoûtant!” (Ze kende veel woorden voor ‘walgelijk’.) “En ze bijten. Waarom zou ik een hond willen? Waarom zou überhaupt iemand een hond willen?” (Eerlijk gezegd begrijp ik dat ook niet altijd…)

Tante Sneeuwklokje overlijdt en tante Foei belandt in een verzorgingstehuis. Poedel krijgt een pakje… en dan verandert zijn leven, niets is nog wat het altijd geleken heeft.

michael morpurgo - een medaille voor leroy (2)

Michael Morpurgo is vooral bekend door zijn (schitterende!) boek Oorlogspaard (verfilmd door Steven Spielberg), maar hij heeft zó veel mooie boeken geschreven! Het was lang geleden dat ik iets van hem had gelezen, Een medaille voor Leroy zag ik vrijdagmiddag toevallig staan toen ik in de bieb was om een ander boek op te halen en stond te wachten op vrouwlief die nog aan ’t rondkijken was.

michael morpurgo - een medaille voor leroy

Ook dit boek eindigt met een nawoord waarin Michael Morpurgo vertelt waar hij de inspiratie voor dit boek heeft gehaald: het boek is deels autobiografisch en deels vertelt het het verhaal over zwarte militairen in dienst van blanke (Britse, Amerikaanse) legers en het dedain waarmee op deze mensen werd neergekeken…

Een aanrader!

Geplaatst in Lezen | 1 reactie

Lekker!

Ik heb altijd beweerd dat ik van de seizoenen houd en ik zou ook niets kunnen verzinnen om mezelf hierin tegen te spreken. Toch moet ik bekennen dat ik de laatste jaren de winter wel eens hartgrondig verwens. Dat heeft dan te maken met twee factoren.

Eén. Het wintert niet echt. De winter suddert door in al zijn grijsheid, échte koud wordt het niet, het blijft maar kwakkelen en bovendien regent het veel.

Twee. De winters lijken steeds langer te duren. Een mens verlangt naar de lente, groen aan de bomen, slootkanten vol speenkruid en groot hoefblad – en die lente komt maar niet…

Deze dagen echter is het eindelijk wel een beetje winter. Het vriest, zelfs overdag blijft de aarde op beschaduwde plekjes wit berijpt. Er staat een felle winterzon te stralen aan een strakblauwe lucht. Op de sloten ligt een vliesje ijs en in het noorden van Nederland, dat deel dat Friesland en Groningen wordt genoemd, zijn de schaatsen zowaar al aangebonden… En morgen is er sneeuw in de verwachting. Kijk, zo mag ik de winter graag lijden.

In de pan ligt een heerlijk stuk stoofvlees van een Schotse Hooglander te sudderen. Ook dát hoort bij de winter!

Lekker! Winter!

Geplaatst in Mijmeringen | Een reactie plaatsen

De duinen van Six

Six, dat is toch de naam van een geslacht van rijke Amsterdammers waarover Geert Mak enkele jaren geleden een (vrij taai, vond ik) boek schreef!? Jazeker! Deze familie was eigendom van de Heerlijkheid van Wimmenum, zoals de vier vierkante kilometers duin officieel heetten die ten noorden van het zeedorp Egmond liggen. In 1992 kocht de Provincie Noord-Holland dit jachtdomein van de familie Six en zo kon het laatste stukje duinen dat in particuliere handen was, opengesteld worden. Kort daarna hebben wij daar een of twee keer gewandeld, ik herinner me dat de hellingen begroeid waren met duinroosjes, zeer fraai. Eigenlijk zijn we er daarna nooit meer geweest. Vanuit Alkmaar ligt het een beetje uit de route, zal ik maar zeggen…

Dit weekend hebben we mijn broer P. en zijn partner G. op bezoek. Gisteren dwaalden zij door Alkmaar, vandaag nemen we ze mee naar de duinen van Six, thans officieel de Wimmenummer Duinen geheten. We parkeren bij ’t Woud en lopen, nadat P&G een dagkaart hebben aangeschaft, het duingebied in, voorzien van een oude PWN-wandelkaart en een topografische kaart. De lucht is strakblauw, het helderzilveren licht doet pijn aan de ogen.

Langs zanderige paden en paadjes wandelen we over duinkammen en door duinvalleien. We zijn niet de enige wandelaars! Iedereen groet mekaar, wat is dat toch fijn! Zo naderen we na anderhalf uur Egmond aan Zee. In de duinen ten noorden van dat dorp ligt een zgn. zeedorpenlandschap: de inwoners legden er kleine akkertjes aan waarop ze vooral uien en aardappelen kweekten. Deze zeedorpencultuur is duidelijk in ere hersteld. Toen we hier in de negentiger jaren liepen, lagen de zgn. landjes er grotendeels verlaten bij; nu liggen de meeste landjes er verzorgd bij. Hier en daar staat er nog prei, spruitjes, boerenkool…

In Egmond is het ongelooflijk druk! We bemachtigen toch een tafeltje in een strandpaviljoen; de mussen vliegen er rond en aan sommige tafeltjes kun je niet zitten omdat het dak lekt! We laten ons de spek & appel pannenkoek goed smaken, ik spoel de mijne weg met een Egmondse tripel.

Voor mijn gevoel loopt half Nederland hier op het strand. We lopen 3,5 kilometer noordwaarts, richting Bergen aan Zee.

Ik ben blij als we de duinen weer in gaan, hier heerst rust!

Over brede zandpaden kuieren we terug naar ’t Woud. Het laatste stuk gaat over het fietspad. Sommige klinkertjes zijn spekglad door een flinterdun laagje ijs. In een seconde van onoplettendheid stort vrouwlief ter aarde! Geen schade aan het fietspad gelukkig, maar broek en knie zijn wel degelijk stuk… Een dompertje op de vreugde zo aan het einde van een mooie dag. We nemen afscheid P&G die terug naar Antwerpen rijden; wij gaan nog even in Castricum een bezoek brengen aan mijn schoonmoeder en karren ten slotte door donkere polders eveneens huiswaarts. Een bijna volle maan begluurt ons van achter de wolken.

Geplaatst in Wandelen | Een reactie plaatsen

Winterse Kleimeer

Wat een prachtige winterdag was het! De lokroep van de zon was zó sterk dat zelfs steller dezes, die nochtans meer in een binnen-lekker-warm-stemming is dan in een buitenstemming, besloot tot het halen van een frisse neus. En wat is dan een voordehand liggende bestemming!? Juist, het recreatiegebied Geestmerambacht…

Ik parkeerde de auto aan het eind van het Vlasgat en begon aan mijn wandeling. Ik koos voor een heen-en-weertje langs natuurgebied de Kleimeer. Een en al rust voor het oog, maar niet voor het oor want midden in het riet waren rietmaaiers aan het werk met grote zoemende machines. Toen ze tegen vieren het bijltje erbij neer gooiden, nam het verkeer op de N245 het stokje over… In ons druk bewoonde kikkerlandje zijn plekjes waar de stilte oorverdovend is, bijna onvindbaar, vrees ik.

Echter dit ongemak werd ruimschoots gecompenseerd door de rust die het rietland uitademde. Het late middaglicht streek over de rietvelden en naarmate de zon ter kimme daalde, werd het licht steeds warmer… Van zilver naar goud naar koper naar vuur. Hieronder enkele beelden.

Geplaatst in Kleimeer | Een reactie plaatsen