Op Engelse bodem

Om klokslag half zes (local time) fluit Pharell Williams ons wakker met zijn liedje Happy. Een damesstem vertelt ons dat het Taste Restaurant op deck 9 het ontbijt serveert en dat we om half zeven met de ontscheping beginnen. Ik neem een douche en eet een stuk ontbijtkoek dat ik wegspoel met een slok water. Niks Engels ontbijt, we letten op de centen, nietwaar.

De afdaling naar car deck 4 verloopt vlot. Het duurt nog even voor we gaan rijden. De lucht is grijs maar het is (nog) droog. Vijf lange rijen… maar dan is het onze beurt. Een vriendelijke jongeman bestudeert onze paspoorten en vraagt waar we naartoe gaan. “Scotland, sir.” “How long?” “Three weeks, sir.” “Enjoy your holidays!” “Thank you, we certainly will!” En we rijden… de haven uit, de weg naar Colchester. Dan gaat het richting Ipswich, Bury Saint Edmunds, Newmarket, Huntingdon. We rijden de A1 op die we zullen volgen tot Newcastle. Het begint te regenen. De A1 is op sommige plekken al een motorway (dan heet ie de A1(M)) met drie tot vier baanvakken in elke richting, maar op sommige stukken is het nog de oude A1 met twee om twee baanvakken. Het is aardig druk maar wel te doen. De regen maakt het af en toe lastig, of eigenlijk moet ik zeggen: de spray, het opspattend water. Zoab (zeer open asfaltbeton) kennen ze hier niet.

Bij Peterborough verlaten we de A1 voor een sanitaire stop. Even later vervolgen we onze reis tot we afzwenken om een wat langere stop te maken bij The Workhouse in Southwell. Het machtige Victoriaanse bakstenen gebouw is goed te zien vanaf de parkeerplaats. We laten onze lidkaarten zien en wandelen er in de miezerregen naartoe. Vóór het huis is een enorme moestuin aangelegd.

We krijgen een video guide mee: een soort klein tablet met een sensor die verbindt met de ‘cirkels’ die overal in het gebouw te vinden zijn: vervolgens krijg je dan een aantal plaatjes te zien met wat extra informatie.

Wat zijn workhouses? Hun geschiedenis gaat terug naar de 14de eeuw toen in 1388 de Poor Law Act werd gestemd. De pest had in Europa en dus ook in Groot-Brittannië gewoed en er was in feite een tekort aan arbeidskrachten, net als nu. Om te voorkomen dat mensen gingen rondzwerven om elders beter betaald werk gingen zoeken, werden allerlei restricties ingevoerd. Parochies kregen de verantwoordelijkheid om te zorgen voor hun armen en behoeftigen. In de loop van de volgende eeuwen werden nieuwe wetten ingevoerd. Zo bepaalde de wet in de Poor Relief Act (1576) dat als mensen in staat waren om te werken, ze arbeid moesten verrichten om ondersteuning te krijgen.

Het Victoriaanse workhouse was een instelling die bedoeld was om werk en onderdak te bieden aan door armoede getroffen mensen die geen middelen hadden om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Met de komst van het Poor Law-systeem werden de werkhuizen in feite gevangenissystemen die de meest kwetsbaren in de samenleving huisvestten. Zoals een suppoost het tijdens ons bezoek verwoordde: “Het systeem was zo opgezet dat de armste armen – vaak ook mensen die niet meer konden werken zoals gehandicapte mensen, ouderen enz. – er alleen heen gingen en/of bleven als ze geen andere uitweg meer zagen. Wie kon moest werken voor de kost. Het werk was zo saai als mogelijk zgn. om mensen doorzettingsvermogen te leren.” Charles Dickens legde het systeem bloot in al zijn lelijkheid in zijn boek Oliver Twist.

Het huis dat wij bezoeken telt drie verdiepingen en twee vleugels: een voor de mannen en een voor de vrouwen, en de kinderen sliepen in de zalen tussen de twee vleugels in. Families werden dus uiteen gehaald… De mensen sliepen in zalen op de eerste en de tweede verdieping. Vrouwen werden vooral ingeschakeld voor huishoudelijk werk en werk in de moestuinen, de mannen deden voornamelijk onderhoudsklussen maar ook wel werk dat het workhouse geld opleverde. Eén thema was leidend: alles moest routineus, eentonig, vervelend zijn zodat je er geen plezier en voldoening uit kon scheppen…

Over workhouses valt veel meer te vertellen, maar de tijd dringt en de (reis)tijd loopt en dus stappen we in om verder noordwaarts te rijden… Langzaam maar zeker worden de wegen wat rustiger en als we eenmaal Newcastle voorbij zijn, hebben we het Alleen op de wereld gevoel dat je wel vaker hebt als je in Northumberland rijdt.

We hebben de A1 verlaten en rijden nu over de A696 via Otterburn het Northumberland National Park in. Het miezert een beetje en de toppen van de heuvels zijn in nevelen gehuld. De wegkant kleurt roze: wilgenroosjes in vol ornaat… A696 wordt A68, we rijden langs Kielder Forest Park en door de Cheviot Hills. We kruisen de Pennine Way die hier vanuit Byrness naar zijn eindpunt Kirk Yetholm gaat: de laatste, lange etappe en de enige etappe die ik niet heb gelopen omdat ze a) erg lang is en b) over gevaarlijke moors gaat. De youth hostel warden raadde me destijds af om deze etappe in mijn eentje te lopen! Nu is dat anders want halverwege is een shelter gebouwd en de paden zijn verbeterd.

Bij Carter Bar (geen bar…) passeren we de Engels-Schotse grens.

We zijn er bijna. We rijden door Jedburgh met zijn imposante abdijruïne en nemen een paar kilometer verderop de afslag naar rechts. Over de A698 en de B6401 bereiken we Morebattle waar Rambler Cottage de komende week ons thuis én onze uitvalsbasis zal zijn… Het is 21 uur als ik de motor uitzet. Huisje verkennen, auto uitladen, hapje eten en een grote pot thee zetten. En dan, na een lange reisdag… zzzzzzzzzz.

Dit bericht werd geplaatst in Vakantie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie