Omstreeks kwart voor negen stappen we uit tram 12 en lopen naar de ingang van het Van Gogh. Her en der staan al wat mensen te wachten, wij gaan zo dicht mogelijk bij de ingang staan. Even later komt er wat personeel naar buiten. De linten om de rijen wachtenden in goede banen te leiden, worden klaargezet. De ruiten van de glazen deuren krijgen een vluchtige veeg met een doekje – een vingerafdruk blijft hardnekkig zitten en wordt niet opgemerkt door de jongeman die zijn taak niet buitengewoon enthousiast ten uitvoer brengt.
Om stipt negen uur mogen we naar binnen. De kaartjes en onze Museumkaarten worden gescand en onze rugtassen gescreend. We lopen de glazen trap af naar de grote ondergrondse ontvangsthal. Het is even zoeken hoe de kluisjes werken: bij de terminal moet je een viercijferige code intikken en een icoontje kiezen, en ten slotte op het rode knopje drukken. Ergens zwiept een kluisje open: daarin kan ik mijn spullen achterlaten. Ik maak een foto van het kluisnummer. Je weet het maar nooit…
We zijn vandaag naar Amsterdam afgereisd om de werken te zien die Vincent van Gogh maakte in de laatste maanden van zijn leven. Hij had met een zware depressie een jaar doorgebracht in een instelling in SaintRémy, en mocht proberen de draad van het leven buiten de instelling op te pakken. Zijn broer Theo had onderdak geregeld in de Auberge Ravoux in Auvers-sur-Oise.
Auvers ligt niet ver van Parijs, waar broer Theo woonde, en er was een treinverbinding, zodat Theo met zijn gezin met enige regelmaat op bezoek kon komen. De dokter die in het dorp woonde, Paul Gachet, zelf een kunstminnaar en -beoefenaar, zou een oogje in het zeil houden. Vincent begon vol hervonden levensdrift te schilderen en dat zie je terug in de uitbundige kleuren die hij gebruikte om het dorp en het omliggende platteland vast te leggen. Meestal trok hij er ’s morgens met zijn schildersezel op uit. Tegen lunchtijd kwam hij terug naar de herberg en na de middag werkte hij verder in zijn atelier, een ruimte in de herberg die zijn broer Theo ook had gehuurd. Verder dan 500 meter van de auberge begaf hij zich doorgaans niet. Hij was verrukt over het ware plattelandsleven dat hij aantrof in en om Auvers.
In de prachtig door Vincent geschilderde kerk zal zijn uitvaart niet plaatsvinden… De pastoor wil hem niet in zijn kerk, zo’n calvinist… Maar op het moment dat Vincent de kerk vereeuwigd, is hij daar in het geheel niet mee bezig, hij heeft andere dingen aan zijn hoofd… Hij voelt zich eenzaam, hij mist zijn familie, hij voelt dat oude gemis ook terug: zelf een gezin hebben. En dan de wetenschap dat hij leeft op kosten van zijn broer Theo: een steeds onverdraaglijker idee. Zijn oude demonen bezoeken hem weer, steeds vaker, steeds indringender… Langzaam verdwijnt de kleur uit de schilderijen en krijgen somberder tonen het over. In de schilderijen gebruikt hij symbolen die zijn met de dood spelende gedachten uitdrukken.



En dan komt de dag dat hij, misschien wel zonder dat het weet, zijn laatste schilderij opzet. Hij kiest voor de wortels van de bomen, die zich vastklampen aan de steile helling van de weg zoals hij zich wanhopig vastklampt aan het leven…

Op zondagmiddag komt hij later dan zijn gewoonte is terug naar de herberg en stevent, een beetje wankelend, meteen naar zijn kamer. De dochter van de waard gaat hem achterna en stelt vast dat hij een wond heeft aan zijn borst. Dokter Gachet wordt erbij gehaald en die verwijdert de kogel uit zijn lichaam. Broer Theo wordt onverwijld gehaald en die is bij hem als hij uiteindelijk, gerust en rustig op dinsdagmiddag zijn laatste adem uitblaast. Vincent van Gogh is niet meer…
Zoals je op de doodsbrief kunt zien, is de kerk als locatie voor de bijeenkomst, doorgestreept. Vincent wordt wel begraven in Auvers-sur-Oise…

Een prachtige tentoonstelling, die nog de hele zomer is te zien. Boek tijdig je tickets, want toen wij ruim twee weken geleden onze kaartjes online bestelden, was deze zaterdag al bijna volgeboekt.
We verlaten het museum en lopen naar de tramhalte bij het Concertgebouw. Ons oog valt op een affiche: Keith Haring in het Stedelijk. We buigen af en lopen het museum in. Heerlijk toch, als je een Museumkaart hebt. We laten onze kaarten zien en zijn binnen!





